U bent hier

Home » Organisatie » Pedagogisch concept

Basisklimaat jonge kinderen

Om de ontwikkeling tijdens de residentiële plaatsing zo optimaal mogelijk te laten verlopen is de leefgroepsstructuur zodanig aangepast dat elk kind maximale kansen krijgt om zich te ontplooien. Hierbij houden we rekening met de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt, de 5 basisbehoeften van Al Pesso en de mate van hechting.

Ontwikkelingspsychologie
Kleuters en kinderen ontwikkelen zich ontzettend snel en dit op verschillende domeinen (sociaal, intellectueel, motorisch, emotioneel, lichamelijk,…). Het bieden van maximale ontplooiingskansen aan kinderen binnen een veilig kader is een kernopdracht van een residentiële plaatsing. De theorie van de ontwikkelingspsychologie is hiervoor een goed uitgangspunt.

Ontwikkeling is het veranderingsproces waarbij de combinatie van groei, rijping en leren leidt tot een hoger functioneringsniveau. Met rijping bedoelen we lichamelijke groei, bij leren om het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden. Twee kenmerken van ontwikkeling zijn verandering en vooruitgang.

Het situeren van het ontwikkelingsniveau van een kind ten opzichte van het normale ontwikkelingscurve vertelt ons veel over hoe een kind zich ontplooit. Hierbij wordt rekening gehouden met de chronologische (op een bepaalde leeftijd mag je bepaald gedrag verwachten van een kind) leeftijd, de biologische leeftijd (de ontwikkeling wordt mede bepaald door fysieke factoren), de erfelijke factoren en de omgevingsfactoren. Binnen de context-begeleiding met het kerngezin worden deze factoren geëxploreerd. Samen met het kerngezin wordt er nagegaan welke stappen er kunnen worden ondernomen om het kind te laten evolueren naar een volgend ontwikkelingsniveau.

De 5 basisbehoeften van Al Pesso
Pesso onderscheidt vijf basisbehoeften: plaats, voeding, steun, bescherming en begrenzing. Al deze basisbehoeften zijn zowel in de eerste levensjaren als in het verdere leven van wezenlijk belang.

In de ontwikkeling van baby tot volwassenen verloopt de vervulling van een behoefte over 3 stadia. In een eerste fase moet men lijfelijk aan de behoefte van de baby of het kind tegemoet komen, d.w.z. dat het kind het antwoord op zijn verlangen lichamelijk moet ervaren (bv. Het kind zit op schoot, het kind wordt gestreeld). Daarna kan de bevrediging van die behoefte verinnerlijkt worden en krijgt die een meer symbolisch karakter (bv. Het kind voelt en weet dat het een plaats heeft in het hart van de ouders of de opvoeders, het kind weet dat mama terugkomt en moet niet meer voortdurend in de aanwezigheid van mama zijn om zich veilig te voelen).

Wanneer deze beide stadia op een voldoende goede manier doorlopen zijn dan heeft het kind geleerd dat zijn behoeften er mogen zijn. Als volwassen persoon is men dan in staat om er zelf zorg voor te dragen dat men krijgt wat men nodig heeft, als volwassene hebben we contact met wat we nodig hebben en zoeken we een goed antwoord daarop.

Elke keer wanneer er bij een kind een behoefte naar buiten komt en deze krijgt een antwoord dan wordt dat stuk van ‘het zelf’ bevredigd, gevalideerd. Elke keer wanneer er bij een kind een behoefte naar buiten komt en deze krijgt geen antwoord dan volgt er frustratie en/of negatie van de behoefte. Hierbij voelt het kind pijn waardoor hij de behoefte gaat onderdrukken, het gaat ontkennen of zich gaat aanpassen, met als gevolg op langere termijn dat het kind het contact met zichzelf kwijt raakt. Daarbij komt nog dat het kind de ‘goede’ andere ervaart als een ‘frustrerende’ andere en deze niet meer vertrouwt met als gevolg dat het kind ook nog eens het contact met de ander kwijt raakt.

Bij de opstart van een begeleidingstraject is het exploreren van hoe deze 5 basisbehoeften in het verleden werden vervuld, zowel voor het kind als voor de ouders/opvoedingsfiguren rondom het kind, één van de eerste opdrachten binnen de contextbegeleiding.

Hechtingstheorie
Het doel van gehechtheidsgedragingen bij baby’s, kinderen, jongeren - en vaak ook nog bij volwassenen - is het verkrijgen van een gevoel van veiligheid, vertrouwen. Voor kinderen is deze veilige, vertrouwde basis noodzakelijk om de wereld rondom hen te durven exploreren en om van daaruit onafhankelijkheid te verwerven.

Deze gehechtheidsgedragingen bestaan uit een hele reeks processen van behoeften te uiten en in behoeften te voorzien (cf. De 5 basisbehoeften van Al Pesso). Op die manier ‘hecht’ men zich aan de persoon die aan zijn ‘vragen’ tegemoet komt. M.a.w. wanneer de behoeften voldoende bevredigd worden dan ontstaat de mogelijkheid voor een veilige hechting.

Vaak gaan uit huis geplaatste kinderen onveilige hechtingsrelaties aan omdat hun kerngezin en context niet voldoende tegemoet heeft kunnen komen aan hun behoeften. Een residentiële plaatsing dient dan ook om corrigerende ervaringen op te doen met meer veilige hechtings-figuren. Uiteraard is het hierbij belangrijk dat de begeleiding kennis heeft van hun eigen hechtingspatronen, het hechtingspatroon van het kind en hoe ze kinderen corrigerende hechtingservaringen kunnen opdoen.

In het kader van dit hechtingsproces is een residentiële plaatsing niet altijd een goede zaak. Kinderen worden weg gehaald van bij hun vertrouwde opvoedingsfiguren. Ook al verloopt het hechtingsproces met deze opvoedingsfiguren niet altijd optimaal, een breuk met deze hechtingsfiguren is een trauma.

Het in kaart brengen van de belangrijke hechtingsfiguren binnen het sociaal netwerk van het kind is van primordiaal belang. Daarnaast moet er op zoek gegaan worden hoe het contact met deze hechtingsfiguren verankerd kan worden in het begeleidingstraject van het kind. Indien deze hechtingsfiguren niet rechtstreeks betrokken kunnen worden bij het opvoedings-gebeuren, moet er gezocht worden naar alternatieven om deze hechtingsfiguren levendig te houden. Het vervreemdingsproces, dat automatisch ontstaat bij een plaatsing, wordt op die manier minimaal gehouden.

Govaerts, Jean-Marie. Hechtingsproblemen in gezinnen – Integratie van de hechtingstheorie in het systeemtherapeutische model. Leuven, LannooCampus, 2009.

Heylen M., De Roeck V., Kerkhof I., Plessers M. & Verheyen E. Atlas van de menselijke levensloop. Leuven, Acco, 2009.

Kohnstamm, Rita. Kleine ontwikkelingspsychologie. Houten, Bohn Stafleu van Loghum, 2009.

Van Haver, W. & Pesso A. Het gekwetste zelf. Pesso-psychotherapie als terugweg naar zichzelf. Leuven, Acco,1993.